Rebbetzin

Al jaren vertaalt mijn vrouw, Rivka, korte verhalen over wat joden meemaakten. Ze verzamelt ze uit kranten of tijdschriften als Jewish Tribune, haModia, Ami enzovoorts. En ook uit seforim= boeken, zoals Alenoe LeShabbeeach= Aan ons is het te prijzen. Het betreft allerlei voorvallen. Lief en leed, leerzaam en grappig, het zit allemaal door elkaar. Komen ze uit een sefer= boek, dan geldt het probleem dat je dat niet mag kopiëren in wat voor vorm ook. We gaan er van uit dat daarmee is bedoeld: letterlijk machinaal kopiëren. Maar Rivka vertaalt ze en maakt er daarmee weer iets bijzonders van. Uiteraard vermelden we bij elk verhaaltje de bron waar we het uit hebben.

Het volgende is een voorvalletje met de Chofets Chaim. Hij was werkelijk een groot geleerde aan het begin van de twintigste eeuw. In werkelijkheid heette hij, met voortitel, Rabbi Yisraël Me’ier Kagan. Hij schreef boeken. Onder andere een met de titel Chafets Chaim= Die het leven lief heeft. Die titel is genomen uit Psalm 34: 13. Daar staat geschreven (vertaald): Wie is de mens die het leven lief heeft, die houdt van de dagen waarop alles er goed uit ziet?

De psalm zelf antwoordt daarop dat dat degene is die géén kwaad of bedrog spreekt. Of te wel probeer altijd met veel vriendelijkheid de waarheid te zeggen! Dát is een hele kunst. Altijd vriendelijk blijven en toch de waarheid uitstralen.

De Chofets Chaim schreef het standaardwerk: Mishnah Beroerah= De verklaarde Mishnah. Je vindt dat in vrijwel elk orthodox joods huis. Of een samenvatting of bewerking daarvan. Rivka plukte onderstaand voorval van het internet uit een van de vele lessen van Rabbi Elimelech Biderman Shlita. Hij is een zeer onderlegde chassied= vroom persoon.

Van huis uit hoort hij bij het chassidisme= de leefstijl van de chassidiem. Maar heeft veel geleerd tussen de talmiediem van een andere stroming die heet: litwisch. De litwische jidden kenmerken zich meer door de nadruk op het leren in het leven. Litwisch slaat op Lithuania= Litouwen. Daar begon in de 18e eeuw het leren op een Jeshivah.

Het voorval geven we de naam Lachen is gezond. Het gaat als volgt:

DE KIKKER

Een keer op een shabbes was de Chofets Chaim de sidra van de week= het Tora gedeelte van die week, door te nemen. Het was de afdeling Ve’era= En Ik verscheen (aan de aartsvaders), legt HaKadoushBaroechHoe uit aan Moshe Rabbenoe, bij de opdracht het joodse volk uit Mitsraïm= nu Egypte, weg te leiden. Eigenlijk betekent mitsraïm: ellende van deze en die kant. Zeg maar van alle kanten. Plotseling riep de Chofets Chaim lachend uit: “Een kikker, een kikker!”, en had plezier. Zijn shammesh= persoonlijke bediende, was verbaasd over deze uitroep te midden van het doorgaans rustige leren van zijn meester. Hij vroeg zijn meester wat er toch aan de hand was dat hij zo ineens moest lachen. Toen vertelde de Rav hem dat hij ineens moest denken aan het commentaar van Rashi= afkorting van Rabbi Shlomo Yitschaki. Zijn uitleg is het eerste wat iemand raadpleegt bij het leren van Torah en Talmoed. Rashi legt in Exodus 8 vers 2 uit, dat de tweede plaag die mitsraïm trof een kikker was. Toen die kikker van hen een klap kreeg bestond het ineens uit meerdere kikkers die in het rond sprongen en overal in terecht kwamen, enzovoorts. Dit werkte zo op de voorstelling die de Chofets Chaim zich ervan maakte, dat hij in de lach schoot!

We weten het wel. Je moet er om kunnen blijven lachen als het je tegen zit. Volgende verhaaltjes zullen tonen dat dat niet altijd lukt. Maar hier leren we dat het goed is als je geest het komische blijft herkennen. Dat je dat ook spontaan uit al is ons leren vaak hersengymnastiek. Je moet je dan juist concentreren. Lachen haalt je eigenlijk juist uit die concentratie! Of juist niet? Het is de opgewektheid van de geest die nog onder die concentratie van het leren zit. Dat geeft extra energie aan het leren. Maar ja, dat is niet altijd.

Waarom bestaat die tweede plaag voor mitsraïm nu per se uit een kikker? Ik zal nog eens kijken of ik dit nog een keer terug kan vinden in de verklaringen op de Torah. Maar rondspringende kikkers kunnen lachwekkend zijn. Dát kunnen we ons wel voorstellen. Of is dat juist de bedoeling na al het bloed van de eerste plaag? Woede laat je bloed ‘koken’. Maar lachen relativeert.

KIP EN WIJN

Het volgende verhaaltje is uit de gemara en wel Kesuvos 67b. Kesuvos betekent huwelijkscontracten. De bladen van de talmoed zijn genummerd. De voorkant aangeduid met een aa, de achterkant met een bee. Het gaat over een arme man die te gast kwam bij een hele grote Gemara geleerde, namelijk Rava. Het is geen letterlijke vertaling maar ik vertel het in eigen woorden: Rava vroeg aan de arme man wat hij hem te eten kom geven. De arme man antwoordde: “Een vette gebraden kip met oude wijn”. Rava was verbijsterd en uitte: “Maar zo iets zet men toch alleen een koning voor! Wij armen moeten toch wat zuiniger doen. Wanneer men zulke hoge eisen stelt vraagt men meer van de gemeenschap dan gepast is!”

Echter de arme man antwoordde hierop met volle overtuiging: “Ik neem geen voedsel aan van de gemeenschap, maar van HaShem gezegend zij Hij.

Er staat geschreven (psalm 145: 15): De ogen van allen zijn op U gericht, HaShem, en U geeft hen hun voedsel precies op de júiste tijd”. Op dát moment stapt de zuster van Rava binnen. Ze was 13 jaar niet bij hem thuis geweest. Nu stapte ze bij hem binnen en bracht voor hem wat mee: vette gebraden kip en oude wijn. Rava was perplexed, hij stond paf! Wat een wonder! Hij begreep dat de arme man in dit geval precies de juiste tijd had gezien om iets te vragen.

Het juiste moment weten waarop iets moet gebeuren! Handelaren maken daar graag gebruik van. Ook artsen als ze een bevalling ‘doen’. De huisvrouw wanneer en bij wie de boodschappen te doen. De talmied als hij zijn rebbe iets heel persoonlijks te vragen heeft. Staan we daar bij stil als we gebeden zeggen om daarvoor het juiste moment te kiezen? Is het dan niet net andersom, je vraagt aan HaShem iets waar je mee zit, als het in je op komt. Je zegt niet tegen jezelf: ik zal er vanavond wel om vragen als ik het avondgebed zeg. Nee, je stopt en staat waar je staat en zegt zachtjes voor je uit tot HaShem: moge het Uw wil zijn dat= jehie ratson millefanecha, enzovoorts. Maar de juiste tijd daarvoor weten om dat te vragen, dan moet je haast wel een profeet zijn! Toch is het belangrijk! Zoals gezegd, je kan aanvoelen wanneer je wel of niet iets moet doen of kan verwachten. De een lukt dat beter dan de ander. Maar om te bereiken, zoals die arme man bij Rava dat wist, moeten wij wel heel sterk ons trainen in geloof Tora en mitsvot doen! Dan komt dát! Niet door ons kunnen maar als een matanah= gift, van HaKadoushBaruchHu.

RABBI YEKEL

De volgende gebeurtenis heeft mijn vrouw uit het sefer A life of Bitachon = Een leven met vertrouwen. De hebreeuwse titel is mooier dan de engelse en luidt Sefer Or haBitachon = Een boek over het Licht in het Vertrouwen. Elke taal heeft zo zijn eigen wijze van uitdrukken. Het is van de hand van Rabbi Yitzchak Dwek. Het bevat vertellingen en inzichten over geloof in HaShem. Op bladzijde 129 en 130 staat een verhaal over een eenvoudig persoon Isaac Yekel. In Krakau staat een shul die de Eizik Yekel shul wordt genoemd. Eizik = Isaac. Die shul is rond 1640 gebouwd en is het resultaat van onderstaand gebeuren. Ook andere seforiem brengen versies van dit verhaal.

Rabbi Isaac Yekel leefde met vrouw en dochters in Krakau. Yekel is de naam van zijn vader. Hij kreeg een droom die zich in volgende nachten steeds herhaalde. Er zou een schat liggen onder een bekende brug in Praag. Ruim 500 km verderop. Hij hoefde maar te graven en de schat zou van hem zijn. De droom herhaalde zich zo vaak dat Rabbi Isaac Yekel dan maar besloot te gaan kijken en een schep mee te nemen.

Toen hij bij de brug kwam zag het er tot zijn tevreden precies zo uit als hij gedroomd had! Hij begon te graven maar de bewaker van de brug sprak hem daarop aan en vroeg wat hij aan het doen was. Rabbi Isaac Yekel vertelde hem van zijn droom die zich steeds herhaald had. De bewaker van de brug moest daarop vreselijk lachen. “ha, ha, ha “, riep hij, “geloof je dan echt dat hier een schat ligt. Ha, ha, ha, zoiets zou ik nu nooit doen. Ik had ook een keer droom. Namelijk dat er een schat ligt onder de haard van het huis van een zekere Isaac Yekel in Krakau! Ha, Ha, Ha, maar denk je dat ik daar ga kijken? Natuurlijk niet! Iedereen heeft wel van dat soort dromen”. Rabbi Isaac Yekel wist genoeg. Spoorslags ging hij naar huis, 500 kilometer terug. Thuis groef hij meteen onder de haard en ja hoor, daar vond hij een schat. Met zoveel sieraden, geld en goud dat hij er een shul van liet bouwen en voortaan genoeg had om verder goed van te leven, met zijn familie.

A Life of Bitachon legt uit dat we ons niet moeten uitputten om de doelen die we in het leven onszelf hebben gesteld, te halen. Je moet wel wat pogingen daar toe doen, maar ook veel laten afhangen van wat aan jou Min haShamayim= uit de Hemel, is gegeven.

We herkennen dit. Je kunt met heel veel inzet werken aan de dromen over je toekomst, de doelen die je jezelf hebt gesteld. Maar het leven gaat zoals het is. Lang niet alles is te manipuleren = naar je eigen hand zetten. Veel in het leven moet je gewoon aanvaarden. Dat heet: Het is Min haShamayim= uit de Hemel. Vertrouwen in HaShem hebben is dat je dan ook overtuigd bent dat dit het beste voor je is. Het is een samengaan. Enerzijds doelen nastreven, anderzijds het nemen zoals het is. Maar ook met het gevoel dat de wijsheid die je opdoet door het naleven van de Tora je bij hele belangrijke innerlijke schatten brengt die het leven volmaakt maken. En het kan soms inderdaad zijn met veel goud en zilver. Maar dat weegt niets op tegen innerlijk geluk. In de termen van de sefirot leer is dat innerlijke geluk dat je je steeds voelt in de Nabijheid van de Schepper. De shul wil de officiële plaats zijn waar dit te beleven is.

HET MOET MET SIMCHA

Nu gaan we naar een gebeuren van deels in en deels na de tweede wereldoorlog. Een man in Israel wilde trouwen, maar hij ‘deed nergens aan’. Zogezegd niet gelovig. Torah en mitswos doen was volstrekt buiten zijn leefwereld. Maar op een gegeven moment wilde hij trouwen. Gewoon een joods huwelijk. Maar dan moest hij wel bewijzen voor het Beis Din = een joods gerechtshof, dat hij een jood was! Maar nergens in de papieren stond dat. Het beis din ging hem ondervragen om erachter te komen. “Vertel ons over je moeder”, vroegen ze. “Kun je je herinneren dat ze iets deed, wat er op zou wijzen dat ze jodin is?”, wilden ze weten. Maar hij kon zich niets herinneren. Zo ongeïnteresseerd was hij geweest in dit soort zaken. Hij had het volledig verdrongen. Hij moest het beis din en zichzelf teleurstellen. Maar hij wilde trouwen. Alles op alles gezet probeerde hij zijn herinneringen aan het leven van zijn moeder weer op te halen. En zoals dat wel vaker gebeurt als je al je herinneringen met veel concentratie weer probeert op te halen, schoot hem ineens iets te binnen. Zijn moeder was na de oorlog gewend bepaalde woorden te zeggen, waar hijzelf verder niets mee kon. Maar uit de diepte van zijn herinneringen kon hij tenslotte die woorden een beetje nazeggen. Het was zoiets als: “Omdat ik HaShem niet met simcha”, = vreugde, “ heb gediend”. Dat moet aangevuld met zoiets als: …overkomen mij de nare dingen. Het beis din herkende hierin de woorden van de Tora in posuk 47 van hoofdstuk 28 van Devariem, het vijfde boek van de Torah. Hoe kwam ze daarbij?, was de volgende vraag… Toen wist hij te vertellen dat zij in de oorlog in Auschwitz samen met de Klausenburger Rebbe en anderen allerlei verschrikkelijk werk moest doen. En elke keer als deze Rebbe weer iets moest doen wat hem zwaar viel sprak hij zachtjes voor hem uit deze woorden. Zijn moeder had het telkens gehoord. Ze dacht als hij dat zegt moeten dit wel woorden zijn die blijkbaar op een gegeven moment je ziel troosten. Ze leerde deze woorden ook zeggen. Na de oorlog bleef zij het herhalen. Tot de tijd het deed vervagen. Deze herinnering kwam bij de man uiteindelijk naar boven. Nu kon hij trouwen. Voor het beis din waren er geen vragen meer!

Als in ons gemoed de storm, orkaan, tornado van verwoeste emoties die de herinnering aan de oorlog steeds weer oproept weer wat wegzakt….{ Expres de zin niet afgemaakt en een nieuwe zin begonnen}. Kunnen we de betekenis van die woorden die de Rebbe steeds herhaalde, wat op ons in laten werken. Het is absoluut zo dat HaKadoushBaroechHoe = de Heilige geprezen is Hij, in onze ziel de vreugde zet. Het is daar altijd en absoluut. Maar door de storm van het leven en zeker oorlog, kan dit volkomen vervagen. Er is eenvoudig niet te leven met de herinneringen aan de verschrikkelijke gebeurtenissen van de oorlog. Je moet het wel verdringen om nog te verder te gaan. Je beperken tot de dingen van alle dag. Geen diepere gedachten. Gewoon om verder te leven. Zelfs tot in de tweede en derde generatie (van degenen die het meemaakten) moet men grijpen naar dit verdringen om verder te kunnen. Toch wordt daarmee het leven mat. Want HaShem heeft in de ziel van de mens absoluut de vreugde gezet. Je hebt het nodig om te zijn. Posuk= vers, 8 van Psalm 4 zegt het: “Natatta simcha belibbi”= Je hebt de blijdschap in mijn ziel gegeven. Het ArtScroll commentaar hierop haalt Rabbenoe Hirsch aan die hiervan zegt, vertaald: Uw nabijheid maakt mij steeds gelukkiger. Nooit zullen we van HaShem iets merken.

Alleen in emoenah- geloof, nemen we aan dat wij vlak bij Hem zijn als wij met inzet Torah en mitswos doen. Die Nabijheid kenmerkt zich met niet aflatende vreugde in onze ziel. Maar door gewenning aan alle dag verflauwt het en komt ellende daarvoor in de plaats! Het terugwinnen ervan gaat maar langzaam. Alleen als mensen zich weer met elkaar willen verbinden, trouwen, is er iets van terug te winnen.

Over genoemd begrip nabijheid is op deze website van beth midrasj Texel meer te vinden. Zie aldaar.

Bibliotheek foto
Bibliotheek foto